7 - Codzienne pytania, reakcje oraz dialogi

 0    80 フィッシュ    bartoszkowalewski90
mp3をダウンロードする 印刷 遊びます 自分をチェック
 
質問 答え
Heb je misschien een ___?
Masz może chwilkę?
学び始める
Heb je misschien een momentje?
Ja hoor, zeg het maar. | Nu even niet, ik ben druk bezig.
momentje
Mag ik je iets ___?
Mogę cię o coś zapytać?
学び始める
Mag ik je iets vragen?
Natuurlijk, vraag maar. | Liever straks, als dat kan.
vragen
Zou je me even kunnen ___?
Mógłbyś mi na chwilę pomóc?
学び始める
Zou je me even kunnen helpen?
Ja hoor, waarmee? | Sorry, ik kan nu even niet.
helpen
Kun je even ___?
Możesz na chwilę spojrzeć razem ze mną?
学び始める
Kun je even meekijken?
Ja hoor, laat maar zien. | Ik ben even bezig, kan het straks?
meekijken
Wil je dit even ___?
Możesz to przez chwilę potrzymać?
学び始める
Wil je dit even vasthouden?
Ja hoor, geef maar. | Sorry, ik heb mijn handen vol.
vasthouden
Kun je me een ___ helpen?
Możesz mi trochę pomóc?
学び始める
Kun je me een handje helpen?
Tuurlijk, wat moet ik doen? | Sorry, ik moet helaas weg.
handje
Mag ik dit even ___?
Mogę to na chwilę pożyczyć?
学び始める
Mag ik dit even lenen?
Ja hoor, pak maar. | Sorry, ik heb het zelf nodig.
lenen
Heb je ___ een pen bij je?
Masz może przypadkiem przy sobie długopis?
学び始める
Heb je toevallig een pen bij je?
Ja, hier heb je er een. | Nee, sorry, ik heb er geen bij me.
toevallig
Vind je het goed als ik het raam ___?
Nie masz nic przeciwko, żebym otworzył okno?
学び始める
Vind je het goed als ik het raam openzet?
Ja hoor, ga je gang. | Liever niet, ik heb het koud.
openzet
Zou je even aan de ___ willen gaan?
Mógłbyś na chwilę się odsunąć?
学び始める
Zou je even aan de kant willen gaan?
Oh, natuurlijk, sorry. | Eén momentje, ik ben zo klaar.
kant
Kun je dit even voor me ___?
Możesz mi to na chwilę przechować?
学び始める
Kun je dit even voor me bewaren?
Ja hoor, geen probleem. | Liever niet, ik ben bang dat ik het kwijtraak.
bewaren
Wil je dit even aan haar ___?
Możesz jej to przekazać?
学び始める
Wil je dit even aan haar doorgeven?
Ja hoor, dat doe ik. | Ik zie haar vandaag helaas niet.
doorgeven
Heb ik je goed ___?
Czy dobrze cię zrozumiałem?
学び始める
Heb ik je goed begrepen?
Ja, precies. | Niet helemaal, ik bedoelde iets anders.
begrepen
Bedoel je dat ___?
Mówisz poważnie?
学び始める
Bedoel je dat serieus?
Ja, ik meen het. | Nee joh, ik maak een grapje.
serieus
Wat bedoel je ___?
Co dokładnie masz na myśli?
学び始める
Wat bedoel je precies?
Ik bedoel dat het niet gaat lukken. | Sorry, ik leg het nog een keer uit.
precies
Kun je wat ___ zijn?
Możesz wyrazić się trochę jaśniej?
学び始める
Kun je wat duidelijker zijn?
Ja hoor, ik zal het uitleggen. | Ik weet niet goed hoe ik het moet zeggen.
duidelijker
Is dat ___ zo?
Czy rzeczywiście tak jest?
学び始める
Is dat echt zo?
Ja, dat klopt echt. | Nee, dat was een misverstand.
echt
Weet je dat ___?
Jesteś tego pewien?
学び始める
Weet je dat zeker?
Ja, honderd procent. | Nee, ik twijfel nog.
zeker
Moet ik dat ___ nemen?
Mam to rozumieć dosłownie?
学び始める
Moet ik dat letterlijk nemen?
Ja, ik meen het precies zo. | Nee hoor, het was bij wijze van spreken.
letterlijk
Is dat wat je ___?
Czy to właśnie masz na myśli?
学び始める
Is dat wat je bedoelt?
Ja, dat bedoel ik. | Nee, ik bedoel iets anders.
bedoelt
Kun je een ___ geven?
Możesz podać przykład?
学び始める
Kun je een voorbeeld geven?
Ja, bijvoorbeeld dit. | Niet meteen, ik moet even nadenken.
voorbeeld
Waarom vraag je dat ___?
A dlaczego właściwie o to pytasz?
学び始める
Waarom vraag je dat eigenlijk?
Gewoon uit nieuwsgierigheid. | Omdat ik me ergens zorgen over maak.
eigenlijk
Mag ik daar even op ___?
Czy mogę jeszcze do tego wrócić?
学び始める
Mag ik daar even op terugkomen?
Ja, natuurlijk. | Liever straks, we hebben nu weinig tijd.
terugkomen
Kan ik het ook ___ zeggen?
Czy mogę to ująć inaczej?
学び始める
Kan ik het ook anders zeggen?
Natuurlijk, probeer maar. | Ik begrijp je al, hoor.
anders
Ben je het daarmee ___?
Zgadzasz się z tym?
学び始める
Ben je het daarmee eens?
Ja, helemaal. | Nee, daar ben ik het niet mee eens.
eens
Vind je dat een goed ___?
Uważasz to za dobry pomysł?
学び始める
Vind je dat een goed idee?
Ja, lijkt me prima. | Nee, ik heb mijn twijfels.
idee
Denk je dat dit gaat ___?
Myślisz, że to zadziała?
学び始める
Denk je dat dit gaat werken?
Ja, dat denk ik wel. | Nee, ik ben bang van niet.
werken
Zou jij dat anders ___?
Czy ty podszedłbyś do tego inaczej?
学び始める
Zou jij dat anders aanpakken?
Ja, ik zou het anders doen. | Nee, ik zou het precies zo doen.
aanpakken
Zie je het ___?
Masz na to ochotę / jesteś do tego przekonany?
学び始める
Zie je het zitten?
Ja, ik heb er zin in. | Nee, eigenlijk niet.
zitten
Heb je er ___ tegen?
Masz coś przeciwko temu?
学び始める
Heb je er bezwaar tegen?
Nee hoor, helemaal niet. | Ja, eerlijk gezegd wel.
bezwaar
Kun je je daarin ___?
Możesz się z tym zgodzić / zaakceptować to?
学び始める
Kun je je daarin vinden?
Ja, daar kan ik me in vinden. | Nee, daar heb ik moeite mee.
vinden
Vind je dat ___?
Uważasz to za przesadę?
学び始める
Vind je dat overdreven?
Ja, best wel. | Nee, ik vind het terecht.
overdreven
Maakt dat voor jou ___?
Czy to robi dla ciebie różnicę?
学び始める
Maakt dat voor jou verschil?
Ja, dat maakt veel uit. | Nee, voor mij maakt het niets uit.
verschil
Heb je daar ___ over?
Masz co do tego wątpliwości?
学び始める
Heb je daar twijfels over?
Ja, ik weet het nog niet zeker. | Nee, ik ben er zeker van.
twijfels
Is dat volgens jou ___?
Czy twoim zdaniem to jest uczciwe?
学び始める
Is dat volgens jou eerlijk?
Ja, dat vind ik eerlijk. | Nee, dat vind ik niet eerlijk.
eerlijk
Zit ik er helemaal ___?
Czy kompletnie się mylę?
学び始める
Zit ik er helemaal naast?
Nee, je hebt volgens mij gelijk. | Ja, volgens mij klopt dat niet.
naast
Wat heeft je ___?
Co wolisz / jaka jest twoja preferencja?
学び始める
Wat heeft je voorkeur?
Ik heb liever de eerste optie. | Voor mij maakt het niet uit.
voorkeur
Maakt het je wat ___?
Czy robi ci to jakąś różnicę?
学び始める
Maakt het je wat uit?
Ja, ik heb liever iets anders. | Nee hoor, maakt niet uit.
uit
Wil je ___ iets anders?
Wolałbyś coś innego?
学び始める
Wil je liever iets anders?
Ja, als dat kan. | Nee hoor, dit is prima.
liever
Heb je zin in iets ___?
Masz ochotę na coś dobrego?
学び始める
Heb je zin in iets lekkers?
Ja, iets zoets lijkt me lekker. | Nee dank je, ik zit vol.
lekkers
Zullen we het ___ laten?
Zakończymy na tym?
学び始める
Zullen we het hierbij laten?
Ja, laten we dat doen. | Wacht even, ik wil nog iets zeggen.
hierbij
Heb je liever wat ___?
Wolisz trochę spokoju?
学び始める
Heb je liever wat rust?
Ja, ik wil even alleen zijn. | Nee hoor, blijf gerust.
rust
Kan ik het zo laten ___?
Mogę to tak zostawić?
学び始める
Kan ik het zo laten staan?
Ja, laat maar staan. | Nee, zet het liever even weg.
staan
Moet ik mijn schoenen ___?
Mam zdjąć buty?
学び始める
Moet ik mijn schoenen uitdoen?
Ja graag, als je wilt. | Nee hoor, houd ze maar aan.
uitdoen
Vind je het ___ als ik ga?
Będzie ci przeszkadzać, jeśli pójdę?
学び始める
Vind je het vervelend als ik ga?
Nee hoor, geen probleem. | Ik had het gezellig gevonden als je bleef.
vervelend
Vind je het ___ als ik later kom?
Będzie ci przeszkadzać, jeśli przyjdę później?
学び始める
Vind je het erg als ik later kom?
Nee hoor, helemaal niet. | Ja, ik moet straks echt weg.
erg
Zou je liever ___ gaan?
Wolałbyś iść sam?
学び始める
Zou je liever alleen gaan?
Ja, ik ga liever alleen. | Nee, ga gezellig mee.
alleen
Wil je er nog even over ___?
Chcesz się nad tym jeszcze zastanowić?
学び始める
Wil je er nog even over nadenken?
Ja graag, ik laat het je weten. | Nee hoor, ik heb al besloten.
nadenken
Zal ik het even ___?
Mam cię na chwilę wyręczyć / przejąć to?
学び始める
Zal ik het even overnemen?
Ja graag, dat zou fijn zijn. | Nee hoor, ik ben bijna klaar.
overnemen
Kan ik iets voor je ___?
Mogę ci coś przynieść / zabrać ze sobą dla ciebie?
学び始める
Kan ik iets voor je meenemen?
Ja graag, een flesje water. | Nee dank je, ik heb alles.
meenemen
Zal ik ___ beginnen?
Mam już zacząć?
学び始める
Zal ik alvast beginnen?
Ja, begin maar vast. | Nee, wacht nog heel even.
alvast
Kun jij dit even ___?
Możesz to załatwić?
学び始める
Kun jij dit even regelen?
Ja, komt voor elkaar. | Sorry, daar heb ik nu geen tijd voor.
regelen
Moet ik ergens ___ mee houden?
Czy muszę coś uwzględnić / mieć na uwadze?
学び始める
Moet ik ergens rekening mee houden?
Ja, houd rekening met wat vertraging. | Nee hoor, verder niets bijzonders.
rekening
Zou je dat voor mij willen ___?
Mógłbyś to dla mnie sprawdzić?
学び始める
Zou je dat voor mij willen nakijken?
Ja hoor, ik kijk ernaar. | Niet nu, maar morgen kan het wel.
nakijken
Zal ik je even ___?
Mam cię podrzucić gdzieś samochodem?
学び始める
Zal ik je even afzetten?
Ja graag, dat zou fijn zijn. | Nee bedankt, ik ga met de fiets.
afzetten
Kan ik hier mijn spullen ___?
Mogę tu postawić swoje rzeczy?
学び始める
Kan ik hier mijn spullen neerzetten?
Ja hoor, daar is prima. | Liever daar aan de zijkant.
neerzetten
Zou je het wat ___ kunnen zetten?
Mógłbyś to trochę ściszyć?
学び始める
Zou je het wat zachter kunnen zetten?
Ja, natuurlijk, sorry. | Ik kan het niet zachter zetten, helaas.
zachter
Kun je de deur achter je ___?
Możesz zamknąć za sobą drzwi?
学び始める
Kun je de deur achter je dichtdoen?
Ja hoor, doe ik. | Sorry, ik heb mijn handen vol.
dichtdoen
Zal ik het even ___?
Mam ci to wyjaśnić?
学び始める
Zal ik het even uitleggen?
Ja graag, ik snap het niet helemaal. | Nee hoor, ik begrijp het al.
uitleggen
Heb je er nog iets aan ___ te voegen?
Chcesz coś jeszcze do tego dodać?
学び始める
Heb je er nog iets aan toe te voegen?
Ja, ik wil nog één ding zeggen. | Nee, dat was alles.
toe
Is er iets ___?
Czy coś poszło nie tak?
学び始める
Is er iets misgegaan?
Ja, er is iets fout gegaan. | Nee hoor, alles is goed gegaan.
misgegaan
Heb je ergens ___ van?
Czy coś ci dolega / przeszkadza?
学び始める
Heb je ergens last van?
Ja, ik heb last van mijn rug. | Nee hoor, nergens last van.
last
Wat is er aan de ___?
Co się stało / co jest grane?
学び始める
Wat is er aan de hand?
Ik ben mijn sleutels kwijt. | Niets ernstigs, hoor.
hand
Kun je me uitleggen wat er ___ is?
Możesz mi wyjaśnić, co jest nie tak?
学び始める
Kun je me uitleggen wat er mis is?
Ja, het apparaat doet het niet. | Ik weet het zelf ook nog niet.
mis
Heeft het ___?
Czy to pilne?
学び始める
Heeft het haast?
Ja, het moet vandaag nog. | Nee hoor, het kan wachten.
haast
Kan het nog even ___?
Może to jeszcze chwilę poczekać?
学び始める
Kan het nog even wachten?
Ja hoor, geen haast. | Liever niet, het is dringend.
wachten
Is het inmiddels ___?
Czy udało się to już rozwiązać?
学び始める
Is het inmiddels opgelost?
Ja, gelukkig wel. | Nee, helaas nog niet.
opgelost
___ het een beetje?
Dajesz sobie radę?
学び始める
Lukt het een beetje?
Ja hoor, het gaat prima. | Niet echt, kun je me helpen?
Lukt
Zal ik er iemand bij ___?
Mam kogoś zawołać do pomocy?
学び始める
Zal ik er iemand bij halen?
Ja graag, dat zou helpen. | Nee, dat is niet nodig.
halen
Kom je er zelf ___?
Poradzisz sobie z tym sam?
学び始める
Kom je er zelf uit?
Ja, ik red me wel. | Nee, ik heb wat hulp nodig.
uit
Kan ik iets voor je ___?
Mogę coś dla ciebie zrobić / pomóc?
学び始める
Kan ik iets voor je betekenen?
Ja, ik zou je hulp kunnen gebruiken. | Nee, maar bedankt voor het aanbod.
betekenen
Heb je nog hulp ___?
Potrzebujesz jeszcze pomocy?
学び始める
Heb je nog hulp nodig?
Ja graag, heel even. | Nee hoor, ik ben klaar.
nodig
Viel het uiteindelijk ___?
Czy ostatecznie nie było tak źle?
学び始める
Viel het uiteindelijk mee?
Ja, gelukkig wel. | Nee, het was erger dan ik dacht.
mee
Is het de ___ waard?
Czy warto?
学び始める
Is het de moeite waard?
Ja, absoluut. | Nee, ik zou het niet doen.
moeite
Had je dat zien ___?
Spodziewałeś się tego?
学び始める
Had je dat zien aankomen?
Ja, ik zag het al gebeuren. | Nee, totaal niet.
aankomen
___ je dat nou?
Ty tak na serio?
学び始める
Meen je dat nou?
Ja, echt waar. | Nee joh, ik maak een grapje.
Meen
Dat had ik niet ___!
Tego się nie spodziewałem!
学び始める
Dat had ik niet verwacht!
Ik ook niet, zeg! | Ik eigenlijk wel.
verwacht
Wat een ___, zeg!
Ale z tym zachodu / zamieszania!
学び始める
Wat een gedoe, zeg!
Ja, echt vervelend. | Ach, het valt wel mee.
gedoe
Daar schiet je weinig mee ___, hè?
To niewiele ci daje / nie posuwasz się dzięki temu do przodu, co?
学び始める
Daar schiet je weinig mee op, hè?
Nee, helemaal niks. | Nou, het helpt een beetje.
op
Dat ___ je niet!
Nie gadaj! / Chyba żartujesz!
学び始める
Dat meen je niet!
Jawel, echt waar! | Nee joh, grapje!
meen

コメントを投稿するにはログインする必要があります。