辞書 フランス語 - オランダ語

Français - Nederlands, Vlaams

espagnol オランダ語:

1. spaans spaans


Mijn moedertaal is Spaans.
Spaans is haar moedertaal.
In Valencia spreekt men Valenciaans en Spaans.
Zij kan Spaans spreken.
Hij spreekt zowel Spaans als Frans.
Ik leer Spaans.
Ze heeft zich ingeschreven voor een cursus Spaans.
Ik kan geen Engels spreken, en Spaans nog minder.
Misschien spreekt Jack ook Spaans.
Dit is geen Spaans.
De mensen uit Colombia spreken Spaans.
Carole studeert al drie jaar Spaans.
Ik wou dat je Spaans sprak.

オランダ語 "という言葉espagnol"(spaans)集合で発生します。

frans g nederlands frans